Jean Michel Veillon, fluitist en ambassadeur van Bretonse muziek
Jean Michel Veillon is een fluitist die zijn
sporen binnen de Bretonse muziekwereld al ruimschoots verdiend heeft en nu ook
steeds meer erkenning daarbuiten krijgt. Op het internationale vlak maakt hij
naam door zijn vele concerten in diverse samenstellingen, en door zijn workshops
en andere educatieve vormen waarmee hij steeds meer mensen in aanraking brengt
met het Bretonse muzikale cultuurgoed. Zijn speelstijl is vloeiend, zangerig,
en bijna hypnotiserend, ook vanwege de herkomst, keuze en arrangementen van
het repertoire. Daarbij zorgen de houten klank en de variaties en versieringen
op de gespeelde thema’s ervoor dat de muziek boeiend blijft. Binnenkort
zal hij ook te horen zijn op diverse podia in Nederland en België –
zie ‘Nieuws uit binnen- en buitenland’ – samen met de groep
Kornog en de gitarist Yvon Riou.
Gezien het feit dat er onder de gemiddelde Nederlandse fluitisten (en laat ik
nu de Belgische niet vergeten!) bijzonder weinig kennis is wat betreft het Bretonse
idioom, vond ik het toch wel zeer gewenst om wat inhoudelijke informatie te
geven voordat de concerten plaatsvinden, en koos ik voor ‘de electronische
snelweg’: het interview vond via e-mail plaats. Maar eerst wat algemene
informatie over de muziek.
Inleiding
Bretonse muziek valt net als Ierse en Schotse muziek onder Keltische muziek.
Deze muziek is binnen Bretagne bijzonder levend en in beweging, niet de laatste
plaats dankzij de ‘fest noz’, de dorpsfeesten die overal door Bretagne
gehouden worden. De grootte van deze nachtelijke dansfeesten varieert van ongeveer
200 tot wel 5000 muzikanten en dansers! De Bretonse muziek die tegenwoordig
voornamelijk gespeeld wordt is de dansmuziek. Maar volgens Jean Michel Veillon
zou het een grote vergissing zijn om aan te nemen dat dit altijd al zo was:
als je twee eeuwen terug zou gaan, zou maar 20 % van het repertoire dansmuziek
zijn! Terwijl de Bretons oder de Keltische dansers eigenlijk altijd als de meest
onvermoeibare beschouwd zijn – en wie weet hoe het er bij Schotse en Ierse
dans aan toe gaat zal moeten toegeven dat dat niet niks is – was de meeste
Bretonse muziek oorspronkelijk géén dansmuziek, maar bijvoorbeeld
klaagzangen en marsen, de ‘soniou’ en ‘gwerziou’, liederen
die waren bedoeld om verhalen, nieuws en emoties over te brengen. Dus geen dans,
maar muziek voor een aandachtig luisterend publiek.
Veillon vindt daarom ook de muziek niet meer strikt traditioneel. Net als bij
Ierse ‘trad’ en andere traditionele muziekstijlen die buiten hun
‘eigen’ gebied treden (anders dan de originele gelegenheden zoals
dorpsfeesten, bruiloften, begrafenissen, religieuze vieringen enz.) ontstaat
een kunstmatig gereproduceerde situatie. De muziek die dan ver van huis en haard
maar ook van de eigen streek wordt gespeeld, heeft dan soms allerlei niet-traditionele
aanpassingen ondergaan, die de muziek acceptabel maken voor de oren van het
publiek… Veillon wil daarmee zeggen dat ‘traditioneel’ een
onnauwkeurige term is voor de muziek die eigenlijk nog zo aan het evolueren
is.
Typerend voor de Bretonse muziek is de ‘kan ha diskan’, dans-liederen
met vraag (solo) en antwoord (tutti), die over heel Bretagne terug te vinden
zijn, zowel in het Bretonstalige westelijke gedeelte, Breizh Izel, als het oostelijke
gedeelte, Breizh Uhel, waarbij vaak ook de zangers en de muzikanten elkaar afwisselen
(‘kanerien’ en ‘sonerien’). De gebruikte toonreeksen
zijn klein en beperkt, vaak pentatonisch en meestal eenvoudiger en vloeiender
dan het Ierse repertoire. Ook afwijkende, niet-getempereerde ladders werden
veel gebruikt; zangers als Erik Marchand en muzikanten als George Bothua hebben
zich met dit aspect van de Bretonse muziek beziggehouden en het weer nieuw leven
ingeblazen. Je hoort er ook wel vaak Franse invloeden in, maar door de vele
herhalingen binnen die toonreeksen gaat het ook wel richting oosterse sferen:
het klinkt soms minimal-music-achtig, en de muziek krijgt een hypnotiserende
werking op je.
Het meest op de voorgrond tredende en daardoor meest karakteristieke instrument binnen de Bretonse muziek is de ‘bombarde’, een dubbelriet-instrument dat veel weg heeft van een hobo, maar een veelvoud aan decibellen voortbrengt, schalmei-achtig knetterend. Daarnaast heb je de ‘biniou koz’, een doedelzak met één drone, een oktaaf boven de bombarde, de ‘biniou braz’, een doedelzak die je misschien het best kan omschrijven als een aangepaste Schotse doedelzak, de treujenn-gaol (klarinet), telenn (harp), viool, trekzak, draailier, en door de sterke Ierse invloeden sinds de jaren ’50 ook fluit, bouzouki (eigenlijk ook niet origineel Iers), bodhran en uillean pipes. Met deze opsomming ben ik niet volledig, tijdens de concerten van Jean Michel Veillon speelt bijvoorbeeld de gitaar al een belangrijke rol, en op de CD’s in de discografie hieronder zijn allerlei instrumenten afkomstig uit andere muziekculturen te horen.
Vertel ons eens over je muzikale achtergrond, je familie,
jeugd. Heb je al vanaf het begin voor de fluit gekozen?
“Geboren en getogen in een klein dorpje, Fréhel, op een schiereiland
aan de Noordoostkust van Bretagne, werd ik me al vroeg bewust van de Bretonse
muziek- en danscultuur. Ondanks het feit dat mijn ouders niet aktief waren in
de muziek, laat staan traditionele, ging ik op 11-jarige leeftijd samen met
één van mijn broers en twee zussen op een Bretonse dansgroep,
compleet met kostuums, en begon mijn loopbaan vooreerst als danser.
Als muzikant maakte ik mijn debuut op de bombarde (zie de inleiding, red.),
wat me de kans gaf om in contact te komen met andere muzikanten en zangers in
Bretagne, die me veel hebben geleerd. Zo luisterde ik naar Alan Stivell, en
groepen als Diaouled ar Menez, Kouerien St. Yann, enz. In die tijd kwam ik ook
in aanraking met Ierse muziek en muzikanten. Één daarvan was de
fluitist/zanger Desi Wilkinson van de groep Cran. De fluit klonk in mijn oren
vreemd, ‘haunting’, en m’n interesse voor het instrument was
geen liefde op het eerste gezicht, maar een gestaag groeiende liefde.”
Welke instrumenten
heb je bespeeld, en wat vond je ervan?
“Zoals ik al zei, heb ik eerst bombarde gespeeld; het was een oud model
gemaakt van grenadil. Ik heb ’m terug moeten geven aan de dansgroep toen
ik daar wegging, dus ik weet niet meer zo goed wie ’m had gemaakt, ik
denk Dorig le Voyer, één van de oprichters van Bodadeg ar Sonerion,
een bombarde- en biniou-associatie uit de jaren ’50. Of misschien Lanig,
een andere bekende bouwer. Zulke bombardes vind je niet zo gauw meer tegenwoordig.
Ik ben begonnen fluit te spelen op een oude Franse fluit, een Holzapfel, Parijs
rond 1820. Die was erg laag gestemd, en ik heb eraan geknoeid en gemarteld tot
hij ongeveer de juiste stemming had, althans de stemming die ik wel goed vond.
Daarna kocht ik een fluit, gebouwd door Bruce du Vé, een geweldige fluitbouwer
uit Australië, die in Spiddle, Galway, Ierland woonde. Die fluit had een
veel groter mondgat, waar ik veel moeite mee had. Daar heb ik toen een ander
kopstuk voor gekocht, van Hammy Hamilton (Cork, Ierland). Met dat kopstuk kon
ik veel beter overweg, ik heb nog nooit een fluit met een groter volume gehoord
dan die Du Vé/Hamilton-combinatie, werkelijk ongelooflijk! Maar ’t
probleem was dat ik er niet goed zacht op kon spelen…. Helaas is hij een
keer gebroken, en na het lijmen is hij nooit meer de oude geworden. Dat was
voor mij het einde van een eerste periode fluitspelen. Daarna begon er een leerzame
periode van andere, nieuwe fluiten in allerlei toonsoorten: Bes, F, Es, G, niet
alleen voor de groepen waar ik toen in speelde, Barzaz, Den enz., maar ook omdat
Gilles Léhart, een uitstekend fluitbouwer en ook zanger, fluiten voor
me ging maken. Daar speel ik nog steeds op.
Ik ontwikkelde mijn stijl van spelen, zocht naar meer klanknuances, o.a. met
flageoletten, die voor andere klankkleuren zorgen maar ook een uitdaging zijn
voor je embouchure. In verband hiermee was ik nog steeds niet tevreden met mijn
D-fluit. Uiteindelijk kwam ik terecht bij Chris Wilkes, een fluitenbouwer in
Herefordshire, Engeland. Van hem heb ik een Rudall&Rose-model, waar ik het
meest op speel, en een Es en D (Pratten model). Ik ben er erg blij mee; ik denk
soms wel eens dat ze te goed zijn voor zo’n autodidact als ik!
Wat het materiaal betreft, grenadil – in het Engels is dat ‘African
Blackwood’ – : in spelers-, bouwers- en onderzoekerskringen gaan
wel stemmen op om verder te zoeken naar alternatieven voor de tropische hardhoutsoorten
die gebruikt worden voor o.a. fluiten; er is een controverse tussen veel spelers,
bouwers en onderzoekers die zeggen dat het materiaal van de klankbuis niet van
belang is, maar alleen de trillende luchtkolom. Ik weet het niet…
Ik vind wel dat we voorzichtig om moeten gaan met het gebruik van bijvoorbeeld
grenadil-hout in verband met de ontbossing door houtkap. En ik weet dat Sam
Murray, fluitenbouwer in Belfast, er ook zo over denkt, en ook andere materialen
gebruikt. Ik heb ze geprobeerd en ze klinken goed…”
Speel je alleen
op houten fluiten?
“Hé, ik speel ook nog bombarde! Daar ben ik eigenlijk nooit mee
gestopt, ik speelde vaak op fest noz-feestjes van vrienden. En nu speel ik bombarde
in Alain Genty’s groep en in Kornog. Ik speel ook een beetje bansuri,
alleen thuis. De Indiase muziek heeft me een tijd enorm getrokken, het werd
bijna een obsessie voor me. De bansuri is een bamboefluit afkomstig uit Noord-India.
Na een aantal lessen van de grote meester Harsh Wardhan ben ik tot de slotsom
gekomen dat raga’s spelen boven mijn plafond zit; ik heb ook veel meer
met Bretonse muziek!
De zilveren (Boehm)fluit heb ik nooit gespeeld, dat heeft me nooit getrokken,
ondanks het feit dat ik ook wel naar klassieke muziek heb leren luisteren.”
Wat is de bezetting
van de groepen waarmee je in oktober naar Holland komt?
Kornog bestaat uit Jamie MacMenemy, zang en bouzouki; Nicolas Quemener, zang,
gitaar en fluit; Christian Lemaitre, fiddle; en Jean Michel Veillon, fluit en
bombarde. Met Yvon Riou, gitaar, vorm ik een duo. We hebben afgelopen jaar een
live-CD opgenomen in Belfast met een selectie van Bretonse, Ierse en niet-Keltische
muziek, die verkrijgbaar is bij An Na’r Produksion, www.an.naer.com.
Discografie:
Kornog, “Première” Live in Minneapolis (Green Linnet, 1983)